|
Zee
Massimo gaat pas mee naar zee als de grote toeristenstroom verdwenen is en het strand geen barbecue meer van roosterende lijven. En eigenlijk geef ik hem groot gelijk. Mei, Juni, September en Oktober zijn de mooiste maanden aan zee. Je ziet er dan alleen de echte genieters, de mensen die langs de vloedlijn lopen, stenen en schelpen verzamelen, een duik in het water nemen en even lijken te vergeten wat hun dagelijks bezighoudt.
Zondag was het weer zo stralend mooi dat we besloten na de lunch bij Nonno en Nonna - de Italiaanse grootouders - naar zee te gaan. We namen de kinderfietsen mee en reden naar het pijnbomenbos in Cecina. Het is de dichtstbijzijnde badplaats waar de gelijknamige rivier op uit komt.
De strook pijnbos, die direct aan zee grenst, is ongeveer 300 meter breed en overal zijn paden waar je heerlijk kunt wandelen, hardlopen of fietsen. Het hoofdpad loopt van Cecina naar Bibbona en bestrijkt ongeveer 5 kilometer. Op zondagen kom je er veel mensen tegen en klinkt het bos vol stemmen. De bomen vormen tezamen een soort dak waardoor bijna geen licht naar binnen komt. In de warmste maanden is het pijnbomenbos dan ook een welkome schuilplaats tijdens de heetste uren. Als je in die periode ‘s morgens naar zee gaat en door het bos naar het strand loopt, zie je dat alle banken en picknicktafels al bezet zijn: Italianen maken uitgebreide lunches klaar en "reserveren" al vroeg in de ochtend een tafel door het lunchpakket op de picknicktafels uit te stallen. Ieder ander weet daardoor dat die tafel al bezet is voor de uren tussen 12 en 16 en niemand waagt het er in de buurt te komen.
Terwijl de buitenlanders de hele dag op het hete strand zitten, brengen de Italianen de warmste uren onder het pijnbomendak door. Ze eten hun vooraf klaar gemaakte pastaschotel of koude rijstsalade, de prosciutto en salame en drinken wijn of bier. Na het eten zwermen de kinderen uit en gaan op zoek naar de pijnboompitten die uit de opengebarsten dennenappels vallen. Een Nonna spreidt een kleed uit en gaat naast de kleinste kinderen haar siësta houden. Zo worden de warme uren overbrugd, voordat men weer naar het strand teruggaat voor een namiddagbad.
Maar nu is het oktober en de mensen komen nog steeds in het pijnbomenbos om de zilte geur van de zee op te snuiven. Onder het bomendak is de zomerwarmte bewaard gebleven. Er wordt niet meer gepicknickt, maar wel fanatiek gesport en gewandeld. Veel mensen lopen rond met rieten mandjes en zoeken onder de struiken naar paddenstoelen. Ongelooflijk, zoveel als er hier zijn! Ook staan er overal kleine cyclaampjes, van die bloemetjes die vroeger in grotere uitgave bij oma op de vensterbank stonden. Zon oma-plant, zeiden we dan. Maar hier horen ze thuis en om die reden zijn ze mooi en niet stijf. Onze kinderen rijden blij en uitgelaten op hun fietsen rond want hier kan het en thuis niet. Wij lopen over het bospad en steken dan dwars door om bij het strand uit te komen. Dat is op dit stukje niet "mediterraan mooi", maar eigenlijk heel rommelig, vol wrakhout en boomstronken. Op zo’n strand is echter wel van alles te vinden. Hier en daar zie je mensen, een enkeling loopt met opgerolde broekspijpen en blote voeten door het water en bij een soort pier van opgestapelde rotsblokken en stenen zit een visser op een stoeltje. Lorenzo en Cosimo gaan bij hem staan kijken en steken zonder bang te zijn hun handen in de emmer waar twee kleine visjes in rondzwemmen. Ik ben verbaasd over hun kinderlijke moed en mompel iets van: "zielig, nu hebben ze een gaatje in hun lip." Ze willen alles weten over vissen vangen en kijken nieuwsgierig in het zakje waar de visser het aas uit haalt. Hij vertelt dat er tegenwoordig nauwelijks meer wat te vangen is in zee: vroeger ving hij grote vissen, daar kon je een lekkere brodo di pesce vissoep - van maken. Als hij er vandaag niet nog zo’n acht visjes bij vangt, wordt het niets met die soep. Ik geloof dat hij zelf in het laatste gelooft. Maar het is zijn gewoonte om in het weekend bij het inhammetje te zitten.
Op het terras van een strandtentje dat dit weekend voor het laatst open is staan de stoelen al opgestapeld tegen de muur. We zetten er twee rond een tafeltje en drinken een caffè in het late oktoberzonnetje. Er rennen verschillend kinderen rond en de buitenlandse pik je er zo uit: die lopen nog in een zwembroek met een t-shirtje erboven, terwijl de Italiaanse kinderen allemaal een jas aan hebben. En toch doen ze allemaal hetzelfde: ze maken dammen in de inham bij de pier en zoeken naar mooie stenen. Ze realiseren zich niet dat het voor de één, al naar gelang de breedtegraad waarop hij woont, nog warm is en voor de ander al herfstig fris.
|
|
|
|