|
Giovanna
Toen we hier nog maar net woonden kwam ik haar soms al tegen op het weggetje. Ze liep met grote balen gras te sjouwen die ze over haar kromme rug legde. Meestal zag ik haar pas als ik haar al bijna voorbij was, want in haar jurken in schutkleuren viel ze bijna niet op. In één hand droeg ze een kleine zeis en met de andere hield ze de grasbaal vast. Haar gezicht was oud en doorleefd en haar haar piekte vrolijk rond een stralend gezicht.
Het duurde niet lang of ze hield me aan terwijl ik in mn autootje het weggetje op en af ging. Zo leerde ik Giovanna kennen. Ze was altijd op zoek naar gras en klaver voor haar dieren.
Tegenwoordig zoeken we haar vaak op bij haar beestenboel. Die heeft ze achter het huis van haar zoon en schoondochter, maar sinds haar zoon niet meer leeft, schijnt zij er ook niet zo welkom meer te zijn. Dat zijn althans de verhalen.
Als je bij ons het weggetje met cipressen naar boven loopt, kom je op een gegeven moment bij een fontana. Dat is geen fontein, maar een oude wasplaats waar zuiver en schoon water uit een kraantje in wasbekkens stroomt. Dat water is voor alle omliggende moestuinen en boerenhuizen een grote rijkdom. Overigens is het dat ook voor een aantal al wat oudere vrouwen dat er twee maal per week, s zomers en s winters, de was komt doen. Haast onvoorstelbaar in de 21e eeuw, maar toch echt waar.
In de zomermaanden zie je op alle uren van de dag dat mensen hun jerrycans vullen. Afgelopen zomer was er door de lange droogte een ware wateroorlog. Steeds bleken de waterbassins leeg te zijn en natuurlijk kregen wij daarvan de schuld. Die Gentilis doen niet anders dan de bakken legen, werd er gezegd. Nu moet ik eerlijk zijn: mijn schoonvader Giuseppe is behoorlijk in de weer met het water. Aangezien de meeste mensen die langs het weggetje hun moestuinen hebben aan het einde van de dag het water uit de bassins over hun terrein laten vloeien, was er voor ons vaak geen water. Dus wat deed Nonno Beppe: hij stond s nachts om twaalf uur op en reed in zijn auto naar ons toe om het kraantje te openen en liet daarmee onze eigen visvijver bij huis volstromen. Dat waterreservoir is ongeveer twee meter diep, maar zodra er 10 centimeter water uit is, krijgt opa het op zn heupen.
Om naar Giovanna te gaan, volg je het weggetje langs de fontana dat naar het huis van haar schoondochter loopt. Achter het huis, waar de paadjes tussen de olijfbomen doorslingeren, hoor je haar hond Lucky blaffen en zie je overal poezen rondlopen. Welbeschouwd is het eigenlijk een enorme rotzooi daar en de ren waarin ze al haar beesten laat rondlopen, hangt van oude palen en stukken gaas aan elkaar. Ze heeft er konijnen met lange oren, kippen, geiten, parelhoenders en de katten sluipen er over loshangende dakjes en planken.
Giovanna is nooit ergens te bekennen en daarom roepen wij haar. Meestal komt er dan antwoord en ontdekken we haar tussen de pompoenen of sperzieboontjes waar ze bezig is onkruid te wieden. Ze valt immers in haar schutkleuren niet op. Vandaag, op deze stralende novemberdag, is ze bezig de laatste resten van haar moestuin te verbranden zodat het terrein klaar is voor de winter. Het is ongewoon warm, rond de twintig graden, maar niet voor niets worden de dagen rond 11 november lestate di San Martino de zomer van Sint Martinus genoemd.
Dan gaan we even op een oude stronk zitten en we praten over van alles. Ze is altijd op de hoogte: de nieuwe waterafvoer die binnenkort gegraven gaat worden, de net opgerichte vereniging van buurtbewoners en grondeigenaren die gebaat zijn bij één en dezelfde weg en die nodig eens aan een opknapbeurtje toe is.... Over de tachtig is ze, maar nog helder van geest en zo kwiek als een vogeltje.
Oorspronkelijk komt ze uit Slovenië en eens per jaar laat ze haar dieren een paar dagen aan hun lot over om per bus en trein naar haar geboortedorp te reizen. Ja, daar moet ze nodig weer heen, want er is een zus overleden en nu moet ze met haar andere broers en zussen de spullen uitzoeken en een schuurtje afbreken. Maar ja, de dieren kunnen niet zonder haar zorg....ze weet dus nog niet of ze wel zal gaan.
Als we weer opstappen krijgen we een paar verse eitjes in onze handen geduwd. Ze belooft dat het volgende rode katertje voor ons is. En vaak krijg ik nog wat schapenwol mee. Daar kan ik kussens van maken. Maar ze kijkt me lachend aan en zegt: Ik weet wel dat de vrouwen van jouw generatie dat niet meer doen hoor!
Ik vraag of ik een foto van haar mag maken want we zijn er vandaag op uit gegaan met de digitale camera. Voortuit, het mag, maar niet meer dan één, want anders is het zonde van het rolletje. Dat er geen rolletje in zit vindt ze wel vreemd, als ik het haar uitleg.
Komen jullie gauw weer? vraagt Giovanna. Dat beloven we.
|
|
|
|